franquinAndré Franquin is zeker één van de meest invloedrijkste tekenaar/schrijver uit de geschiedenis van het stripverhaal. Daarom op deze pagina een uitgebreide biografie van deze grootmeester:

Franquins tekencarrière begon in 1935 toen zijn werk gepubliceerd werd in de krant La Nation Belge. Na een Grieks-Latijnse opleiding aan de Sint-Bonifatiusschool in Brussel trok hij in 1942 naar de Sint Lukasacademie waar hij Eddy Paape leerde kennen. In het najaar van 1944 rond de Bevrijding sloot de school een tijdje haar deuren vanwege de bombardementen op Brussel. Op aanbeveling van Paape die inmiddels als animator werkte kon Franquin aan de slag in tekenfilmstudio CBA waar ook de latere striptekenaars Maurice De Bevere (Morris) en Pierre Culliford (Peyo) werkzaam waren. Toen de studio failliet ging kon Franquin via De Beveres connecties bij uitgeverij Dupuis als illustrator beginnen. De bladen die hij met zijn tekenwerk mocht opvrolijken waren Le Moustique, Spirou (Robbedoes) en tot 1947 het verkennersblad Plein Jeu.

 

Robbedoes

Op aanvraag van Charles Dupuis werden De Bevere en Franquin door Joseph Gillain, die toen Robbedoes tekende, verder ingewijd in het tekenvak. In 1946 mocht Franquin na een eerste vingeroefening in de "Robbedoes Almanak 1947" de serie overnemen. Hij vervolledigde Gillain verhaal "Het geprefabriceerde huis", wat verscheen in het album Radar de Robot, nummer twee uit de zogenaamde Buitenreeks. Vanaf vakje 4 op vel 8, kun je een kleine verandering opmerking in de tekenstijl. Het was niet gemakkelijk om een betsaande reeks over te nemen, maar Franquin heeft de karakters eigen gemaakt.

Franquin zou de reeks zo'n 21 jaar voort zetten. De verhalen die Franquin tijdens deze periode rond Robbedoes en Kwabbernoot tekende worden algemeen beschouwd als de meest ingenieuze, spannende en grappigste avonturen die ooit rond de figuren getekend werden. De populariteit van de reeks en het blad nam toe en onder zijn toedoen maakten ook veel nieuwe personages hun intrede; zoals de zwaarbesnorde professor Pancratius Edelhart Ladislas Philippus, bijgenaamd De Graaf Van Rommelgem (1950), Kwabbernoot's gemene achterbakse neef Wiebeling (Robbedoes en de Erfgenamen, 1951), en het vreemde langstaartige dier; de Marsupilami (1952).

Marsupilami

In 1956 schonk Franquin de inmiddels steeds geliefder geworden Marsupilami zijn eigen al even succesvolle spin-off. De echte Marsupilamireeks zag echter pas het licht in 1987, na jaren in de vergetelheid.

Samen met Guust Flater blijft de Marsupilami zijn favoriete personage. Daarom besluit hij bij het afstoten van Robbedoes en Kwabbernoot de rechten ervan te behouden. Heel lang zoekt hij het goede idee (en de tijd) om de Marsupilami voor 100% een plaatsje te geven in de club van de helden. Enkele grappen getuigen van zijn wens. In 1987 besluit hij, samen met Batem en Greg, de Marsupilami nieuw leven in te blazen. Voor deze edele taak wordt een uitgeverij opgezet: Marsu Productions. Franquin gaat door met een oogje in het zeil te houden met betrekking tot de lotsbestemming van de koning van het Palombiaanse woud. Hij neemt actief deel aan de ontwikkeling van de scenario's van Greg en Yann. Tot aan het tiende album doet hij Batem voorstellen voor een groot aantal grafische composities. Net als zijn meester Jijé houdt Franquin ervan met jonge auteurs te werken.

Ton & Tineke en Guust

In 1955 creëerde Franquin voor het weekblad Kuifje en haar uitgeverij Lombard de gagstrip Ton en Tineke (Modeste et Pompon). De reeks zou 4 jaar lopen voor hij de fakkel doorgaf aan Dino Attanasio. Twee jaar later, in 1957 maakte "Guust Flater" (Gaston Lagaffe) zijn debuut. Het was de tekenaar opgevallen dat alle stripfiguren een beroep uitoefenden. Lucky Luke was een cowboy, Robbedoes een hotelhulpje, Kuifje een journalist, ... en daarom vond hij het een uitdaging eens een reeks te maken rond iemand zonder beroep. Zo verscheen de slome Guust zonder uitleg of naam in "Robbedoes". Na een aantal weken van anonimiteit kreeg hij zijn naam en vrolijkten zijn flaters de redactionele artikels op. De uit één cartoon bestaande gags werden zo populair dat Franquin al snel twee stripstrookjes tot zijn beschikking kreeg.

Vijf stripalbums later werd dit een volledige pagina. Het Flateruniversum met de dagelijkse stommiteiten en onhandigheden van Guust op de Robbedoes-redactie had tegen die tijd definitief vorm te gekregen. Veel stripfans duiden alleen al vanwege de hilarische grappen en running gags de reeks aan als Franquin's meesterwerk. Vanaf 1968 legt Franquin zich geheel toe op het succes Guust Flater. In 1957 tekende hij ook de eenmalige kerststrip: Roeltje en de Elaoin. Naast zijn indrukwekkende productie voor "Robbedoes" bedacht hij in 1958 ook 3 verhalen rond Robbedoes en Kwabbernoot voor "Le Parisien Libéré". Jean Roba stond hem bij met het tekenwerk en Greg schreef één scenario.

De jaren 60 en 70

In 1961 nam de wekelijkse stress om zijn tekeningen voor de deadline af te krijgen, zo sterk toe dat hij wegens ziekte en oververmoeidheid het Robbedoes-album "QRN op Bretzelburg" onderbrak en het pas twee jaar later zou hernemen. Hij hertekende toen de eerste platen en werkte het verhaal verder af. Toch vond Franquin dat hij al te lang met de serie bezig was en zette hij in 1967 met "Hommeles in Rommelgem" er een punt achter. Jean-Claude Fournier volgde hem op en kreeg de toestemming alle personages die Franquin bedacht had voor de reeks verder te gebruiken. De enige uitzondering was de Marsupilami. Als blijk van vriendschap tekende Franquin het dier wel voor Fournier's eerste Robbedoesalbum. In 1977 rolde de reeks Zwartkijken (Idées Noirs) uit zijn potlood. De alleen in het zwart getekende gags bevatten al even donkere humor en toonden de tekenaar van zijn meest cynische kant. Ook zijn politiek linkse overtuigingen kwamen in de reeks sterker dan ooit tevoren naar boven. Vanwege de morbide en zwartgallige inhoud werd "Zwartkijken" niet overal gepubliceerd. In "Sprint/Le Trombone Illustré" en later "Fluide Glacial" vond de reeks wel een plekje.

De latere jaren

In 1989 ontwierp Franquin met de tweedelige serie De Banjers, een collectie schetsen, bedoeld voor de Franse animatieserie Les Tifous. De wollige personages waren oorspronkelijk gecreëerd als educatieve televisiereeks voor kinderen. Twee dagen na zijn 73ste verjaardag overleed Franquin aan een hartkwaal. "Marsupilami", "Ton en Tineke" en "Robbedoes en Kwabbernoot" worden al van voor zijn dood voortgezet door andere auteurs. De andere reeksen, met name Guust, werden onherroepelijk stopgezet.

Franquin is één van de meeste geliefde striptekenaars uit België. Zijn typische zwierige en losse tekenstijl waarmee hij zelfs zijn eigen handtekening op het einde van een gagpagina tot een grap bewerkt beïnvloedde vele tekenaars na hem en kreeg ook veel respect van collega's. Hergé, Gotlib en Albert Uderzo bewonderden zijn werk enorm. Hergé heeft zelfs ooit gezegd: "Franquin is een grote kunstenaar, waarover ik slechts een armzalige tekenaar ben." In 2005 verkoos men op de Waalse televisiezender RTBF De Grootste Belg. Franquin eindigde op de 16de plaats. In 2006 was er in het Brusselse "AutoWorld" een uitgebreide retrospectieve van Franquins werk.

Bronnen:
De Zilveren Dolfijn
Wikipedia